zondag 17 juli 2011

Wat een krabben

Wat een krabben,

wat een krabben komen opeens te voorschijn!

Ze komen her en der uit het zand vandaan.

Ze komen vanonder en tussen de stenen vandaan.

Je hoort hun poten krassen en hun scharen graven

en hun rugschilden schuren tegen de stenen.

Het is alsof ze in een ondergrondse bijeenkomst

afspraken hebben gemaakt. Woorden

waren niet nodig, een paar maal

schudden en rammelen met wapens

en pantsers  was genoeg en nu

komen ze op het afgesproken teken tegelijk

in beweging. Ze hebben maar één doel.

Ze zijn vastberaden. Ze rennen één kant uit,

in de richting van de zee. De zee is in één woord

schitterend, dat is waar, maar

dat is het niet waar ze op uit zijn.

Er is daar een poeltje, en daarin ligt een vis!

De zee is schitterend, de zon schijnt overal op.

Het water van de poel blikkert,

de vis is van zilver. Een mooie dag,

maar niet voor de vis. Zijn laatste

ogenblikken zijn verschrikkelijk.

Zijn wereld gaat in één minuut

veranderen. Daar komen ze, de krabben, ze rennen

zo hard ze kunnen  op hoge poten over het zand,

hun scharen in de hoogte,

niet omdat ze zich over willen geven en genade willen,

integendeel, ze dreigen, genade kennen ze niet.

Ze houden  hun tengels gereed

zoals iemand met veel trek als het bestek

in de handen knelt, klaar om aan te vallen.

De voorhoede is al het water in, is al bij de arme vis,

Ze knippen zijn vel open scheuren er stukjes af.

De krabben pulken en plukken en knijpen en trekken.

De vis lijkt nog te spartelen, maar dat is schijn,

Het zijn de krabben die hem laten bewegen.

Een laatste dansje. O, de vis,

zijn oog keek daarjuist nog wanhopig

de oneindige hemel in. En nu is hij niet meer te zien.

Nu is hij begraven onder een massa

wriemelende kwaadaardige krabben.

Ze gunnen  elkaar niets, geen schub,

geen vinnetje, geen graadje. Ze zijn een

en al vraatzucht.

 

Als alles op is en naar binnen gewerkt

zoeken de  krabben weer de plaats op

vanwaar ze gekomen zijn. Ze kruipen tussen

de zwartblauwe stenen weg of ze werken zich

achterwaarts het natte zand in, niet te vlug,

ze kijken naar elkaar

en steken bij wijze van groet nog even

hun grootste schaar in de hoogte. Knip, knap,

Tot de volgende keer.

Nog even en de zee zal alle sporen wegwissen

En gladstrijken. De stenen met hun groene algen

en zeepokken en de krabben zullen

onder water verdwijnen. De zon zal ook zo ondergaan

en ophouden met schijnen.  

 

 

Ach, zo mooi en gladjes ging het niet. De vogels.

opeens waren er de vogels. Zo’n regel of twintig hierboven

waren ze er al. Waar kwamen ze

zo opeens vandaan? Hingen ze niet rond bij de boer

Met zijn ploeg? Zaten ze niet bij de vuilnisbelt

Of op de friettent? Uit de lucht vallen ze.

Sommige hebben natuurlijk met hun scherpe gele ogen

Gezien dat er op dat strand iets et halen viel

Ze hebben de andere gewaarschuwd met hun krijsen.

Die terug krijsen. Van alle kanten komen ze. Snel

Als de wind zijn ze. En al zijn ze wit,

Ze verduisteren de zon. Ze storten zich

Op de krabben. Misschien willen ze

ook wat van de vis, maar ze pakken de krabben.

Hun snavels zijn als beitels, ze hakken gaten

in de ruggen en buiken van de krabben. Met hun bekken

trekken de tengels van de krabben. Soms

vliegen ze op, nemen een krab aan één poot

 mee de lucht in laten hem te pletter vallen

op de stenen. Het rugschild kan als  schaaltje

dienen om uit te eten. Een rampzalige hamerslag

Van de snavel en een krabbenschaar barst open.

Want het gaat om het  oranjewitte goedje

Dat erin zit. Maar ze moeten snel zijn

En uitkijken: er zijn altijd soortgenoten

Die gemakkelijk wat willen meepikken.

Resultaat: geruzie, gekrijs, gefladder.

.

 

Maar`als alles op is en het werk gedaan

Gaan ze weer naar de plek waar ze vandaan kwamen,

Het omgeploegde veld, de schoorsteen, de vuilnisbelt

of ze cirkelen wat in de lucht

Of dobberen rustig op het rustige water van de zee.

De zee die altijd alles wel weer gladstrijkt en de

stenen en krabben en rommel en karkassen

met zijn groene en troebele water bedekt..

 

 

Voetnoot:

Nee: het ging dus eigenlijk zo: eerst  komen de krabben, ze rennen over het zand. Ze hebben een halfdode vis zien liggen. De eerste colonne is bij de vis, als daar opeens de vogels zijn die zich halsoverkop op de krabben storten die de vis te pakken hebben of die over het strand lopen, richting vis.Ze pikken in op de krabben, ze pikken elke krab die ze maar te pakken kunnen krijgen. De krabben vreten als razend door aan de vis, ze kruipen vechtend over elkaar heen. De meeuwen vreten de krabben. Rukken ze in stukken.Ze zijn snel. Sommige krabben maken dat ze wegkomen..Geschrokken graven ze zich in. Andere verbergen zich weer tussen de zware stenen.Een ravage blijft achter. De vogels spelen nog wat met  restjes en blijven rondhangen tot het water komt dat alles gladstrijkt en de krabbenruggen, de afgerukte poten, de stenen met krabben en al onder water laat verdwijnen.   .