vrijdag 28 januari 2011

 

Basiliek Saint Hubert in Saint Hubert

 

Storm

BUIEN WINDSTOTEN

 

Daar kwam de storm in de vorm van een pikzwarte wolk

In 1 klap was de zon weg ( ik keek door het raam)

De wind blies dakpannen van de huizen

Ze vielen in duizende gruzelementen

En ik vroeg me af: wie gaat dat toch allemaal lijmen?

Moeilijke puzzel. De deuren rammelden snoeihard,

De wind had handen en voeten gekregen

Hij sloeg en trapte tegen deuren en ramen.

Niet bij het raam, zei mijn moeder.

Hoor je wat je moeder zegt! zei mijn vader.

Ik hoorde niet wat ze zeiden.

 

De bliksem sloeg in onze appelboom,

De appels waren in 1 seconde gepoft

Zacht en dampend hingen ze aan hun takken.

In het raam een barst als een bliksem.

De bliksem sloeg daarop in de waslijn,

Kroop heen en weer of hij erg twijfelde

Liep als een vuurspin nijdig,

Zenuwachtig en nijdig, allebei tegelijk

Over zijn ijzeren draad, ging

Schichtig ons schuurtje in.

Over de hark en de hengel en de fietsen

Dansten tropisch blauwe vlammetjes

De banden rookten en smolten.

 

En dan de regen, het regende

Stenen, het regende schoenen,

Het regende glasscherven, het regende zand,

Het regende planken en stokken, het regende spijkers. Een kat

Jammerde , zijn arme lijf vol glimmende spijkers

Hij leek pijnlijk op een egel, een hond

Zat vast aan de grond, door zijn staart

Stak een spijker. Hij blafte en jankte

Alsof hij straf kreeg voor het janken en blaffen,

Had hij maar straf hij blafte en jankte nog harder

Als de sirene van de ambulance.

Worm en muis en ander gedierte werd uit de aarde

Geblazen, een vuilnisbak rolde steeds vlugger weg, een stuk

Golfplaat danste over de straatstenen, maakte

Vuurvonken, een zeildoek

Waaide rechtstandig voorbij,

vogels werden tegen gevels en ramen gesmakt

en bleven verbluft daar hangen

waar ze terechtgekomen waren.

 

Een  huis veloor een dak, hoei!

De bewoners woeien weg met tafels en stoelen

En gordijnen en kleden en de zaterdagkrant en al,

hun wereld verging.

De kat en de hond bleven maar janken en gillen

En toen ik eindelijk een nijptang had gevonden

ging de wind liggen.

Het maakte hem niets uit,

Hij had geen toekomst meer.  

Palais Abbatial

 

Saint Hubert, Luxembourg, Belgique

 
/

 

 

 

 

 

woensdag 26 januari 2011

 

Morgen Gedichtendag

 

 

ER IS ALTIJD WEL IEMAND

 

 

Er is altijd wel iemand

aan wie u de weg kunt vragen.

Er is altijd wel iemand.

U komt met de fiets(?).

 

Er is altijd wel iemand

die de deur open maakt,

en het licht aandoet.

 

Er is allicht wel iemand,

er zijn zo’n tweehonderd

uitnodigingen de deur uitgedaan.

Dat is niet weinig.

 

Er is altijd wel iemand

die hoest of niest of praat,

zijn plaats niet kent,

er staan  trouwens klapstoelen

tegen de achterwand.

 

Er is altijd wel iemand

die grinnekt

om zichzelf

op het verkeerde ogenblik.

 

Er is altijd wel iemand

die zich niet goed voelt,

wiens maag opspeelt

vooral na de pauze.

Er is alleen koffie overigens.

en een kannetje water voor u.

 

Er is altijd wel iemand

die een vraag stelt,

een wat zure jonge vrouw

die warmte en liefde tekort komt,

je ziet het meteen aan haar kleding,

een man met papieren, pen , geblokt colbertje,

het type leraar, hand in de zij,

stukjes leer in de mouwen,

zijn vraag schiet elk antwoord faliekant voorbij.

 

Er is altijd wel iemand

Die naar de bekende weg vraagt

of die denkt: waar gaat dit over?

Er is altijd wel iemand

die niet vindt wat u vindt.

Anderhalf  uur is meer dan genoeg.

 

Maakt u zich geen zorgen,

er is altijd wel iemand

die op de tijd let,

die naar zijn horloge wijst,

er mee schudt,

het tegen het oor houdt,

het goed zet, niet het oor, het horloge,

er met zijn nagel op tikt,

niet op het oor, op het horloge,

of het zo nodig stiekem laat piepen, het horloge

niet het oor.

 

Er is altijd wel iemand

die zegt: nu is het mooi geweest.

 

 

 

 

 

 

 

Intussen in Vlissingen

 

Zoo(vervolg)

 

Leeuwenkuil zonder leeuwen.