woensdag 8 december 2010

 

Dingen die ik dacht 2

 

Een vliegtuigbom kan door het dak maar niet door het matras. Je lichaam is gevuld met bloed en met harde dingen, dat zijn de botten. Vogels lijken op engelen, maar ze hebben geen armen. Eenden zijn hol. Muizen wonen onder de vloer. Ze hebben daar kamertjes en meubels net als wij, maar dan veel kleiner. Een kameel heeft de kleur van kaneel. Boven de i moet een puntje om hem pijn te doen. Geesten zijn net als vuur, maar dan onzichtbaar. De wind blaast zichzelf weg. De aardappelen in de wasteil willen eigenlijk dieren zijn, dat zie je aan hun staartjes. Een vlieger is een kruisbeeld. Opa heeft een snor omdat hij pijp rookt. Stekelbaarsjes vang je met een vork of een breinaald. Brandnetels moet je hard met een stok of een ijzeren elektriciteitsbuis slaan. Kogelgaten in muren groeien niet dicht, maar muren hebben geen pijn. Als je heel vlug bent, kun je over het water lopen. Roodkapje kende het verhaal van Roodkapje niet. Lucifers komen uit de hel. Olifanten zitten vol olie. Olifanten geven meer licht dan olielampen. Daarom schieten de Duitsers olifanten dood, maar zij hebben slurven met brandende olie.   

 

 

(Gisterenavond op verschillende plaatsen in Middelburg: Po√ęzie bij kaarslicht met Najiba Abdellaoui, Anna de Bruyckere, Ester Naomi Perquin )

maandag 6 december 2010

 

ZOALS ALTIJD

 

We stonden op, zoals altijd.

We aten brood met smeerkaas en hagelslag, zoals altijd.

En een half appeltje.

We fietsten naar school.

Zoals altijd. Daar had je

Adje zoals altijd en Aleid

en Xandra en Kim die we Koekje noemen.

Ze heeft een muts die op een koekje lijkt.

En Nella Nella kwam te laat zoals altijd.

Haar vader is weg. Hij is naar Koeweit.

We kregen taakjes en aten droge kaakjes

want Katrientje was jarig.

Er is altijd wel iemand jarig, geloof ik,

er gaat geen dag voorbij.

We gingen hard zingen voor de musical en we tekenden

vliegende monsters en raketten, de lucht vol

oranje vlammen, zoals altijd. Ik zat niet stil

en de poot van mijn stoel brak af.

We moesten lachen, maar het deed wel pijn.

Dat is je straf, zei juf. Ik heb altijd wel zoiets. De zoemer ging

en we gingen naar huis en we aten een chocoladetoetje

en dan spaghetti met tomatensaus en dan weer een toetje.

En we keken TV zoals altijd. Een programma over insecten

En daarna een voetbalwedstrijd. De eerste helft.

En we gingen om half elf naar bed. We sliepen meteen.

En wat we droomden heb ik net verteld.