dinsdag 30 juni 2009
maandag 29 juni 2009
donderdag 25 juni 2009
Meer blogs over het land van Heen en Weer
dinsdag 23 juni 2009
Roodkapje tentoonstelling
vrijdag 19 juni 2009
donderdag 18 juni 2009
Het lattenhek
Er was eens een mooi lattenhek
Met tussenruimten, niet zo gek.
Een architect die dit hek zag staan
is op een dag aan de slag gegaan.
Hij nam de tussenruimten mee
en bouwde daarvan een huis aan zee.
En dus stond ons arme hek daar maar
met latten zonder iets ertussen, raar
om te zien, en akelig en gemeen.
Het Parlement kwam dan ook bijeen.
De architect was toen al weggegaan,
Naar Af- of misschien Opganistan.
Christian Morgenstern (vert.W.Hofman)
woensdag 17 juni 2009
ZOMER
a. Het was een stoffige zomer.
b. Het kwam door de bedwantsen.
c. Het werden zweren.
Je moet niet krabben, zei mijn zus.
Het was ver naar het dennenbos.
Ten minste acht kilometer
lopen. Honderd miljoen vliegen
vlogen daar rond in wanorde.
Ze wegslaan. Ze wilden
steeds in onze buurt zijn,
aan onze lippen likken, in onze ogen zitten.
Ze wegslaan. Ze wegslaan hielp niet.
Onze hond blafte naar zijn eigen schaduw,
en hapte naar de vliegen. Zijn schaduw
was lichter dan hij.
Zus liep op blote voeten. Mieren
staken in een slordige rij het pad
over. Ze kropen op een hagedis.
Hij was misschien verlamd
door ontelbare drupjes mierenzuur.
Zenuwpezen. Ze wegslaan.
Een stuk staart was er al af. Het was
nergens te bekennen.
Zus droeg een vleeskleurige bh.
Jij gaat in een vennetje, zei ze.
Daar zitten verse bloedzuigers in.
Die zijn goed voor je benen.
Vanavond doe ik er pleisters op.
Aan de hemel een vleeskleurige zon.
Ik liep een vennetje in.
Het donkergrijze water kwam net
niet tot aan mijn knieën. De hond
holde door het water, stond
opeens stil om te drinken.
Ik dacht aan de vliegen
die nu rondzwommen
in maagwater.
Ik bewoog mijn tenen
in de zachte modder
op de bodem. Ik wachtte
op de bloedzuigers.
En keek
of de zon
al zakte. Nee.
Hij wachtte
net als ik.
Een kinderzomer duurt
een eeuwigheid.
dinsdag 16 juni 2009
SUUSJE OLIPIETZ SLAAPT, ALFRED JARRY INDACHTIG, MET HAAR FIETS, GEEN CLÉMENT HELAAS, MAAR EEN BÉCANE
Des nachts blaast Suusje Oliepietz haar kaars aan, de vetkaars
die altijd in een groene fles moet staan.
Ze drinkt haar laatste glas en onder gaat de maan, tatane.
Met haar pistool schiet zij op alles wat beweegt,
haar eigen schaduw, een spin
die bij de ruit haar web weeft. Ze slaapt
met haar Bécane: doortrapper, Simpsonketting, Dunlopbanden
edelstalen pedalen, een mannenstuur met een bel er aan. Maar
een meerpersoonsfiets, daar droomt ze van: en in dromen
gebeuren dingen die echt bestaan: dag en nacht
in moordend tempo langs de spoorbaan,
om de exprestrein te verslaan, tatane.
De droom verkeert, zij gaat eraan, en al is het moord,
Tatane, c’est le mot que ricane.
maandag 15 juni 2009
zondag 14 juni 2009
zaterdag 13 juni 2009
De wolk, Het eiland, Reisnotitie...
vrijdag 12 juni 2009
Vogel
Er is geen kleur ter wereld of hij zit op deze vogel; bek en poten zijn langer dan van welke vogel ook en van een buitensporig formaat in verhouding met het lichaam en het geluid dat hij maakt is het gezang van tientallen zwermen vogels tegelijk.
Het ei van deze vogel heeft een flink volume, is groter dan welk ei dat wij kennen, zelfs groter dan dat van de struis, dat al twintig maal groter is dan een kippenei, glanzend, wit met een vleugje roze. De schaal is enkele millimeters dik en hard en moeilijk door te pikken, dagenlang hoor je het kuiken werken, het ei rolt soms tikkend als een bom een eindje weg, hetgeen zelden een kwalijk gevolg heeft, er is geen nest: het ei wordt direct in het zand, in de zon gelegd.
Het kuiken lijkt eerst in het geheel niet op zijn ouders, het is kaal en grauw en paarsachtig wijnrood en nogal pukkelig, de ogen zijn als kopergroen en met maisgele ring omrand, waardoor het dier de indruk geeft een een brilletje te dragen, en het geluid dat het maakt is als het krassen van de tanden van meerdere vorken op etensborden, het kuiken geeft voortdurend overduidelijk te kennen te willen eten en geeft buitenstaanders steeds de indruk uitgehongerd te zijn.
Er is geen kuiken ter wereld dat zoveel en zoveel verschillende dingen blieft: insecten , kleine zoogdieren als muizen en mollen, vissen, padden, kikkers, slakken, wormen enzovoort, maar ook zaden, bessen, vruchten en allerhande ander plantaardig materiaal, als gebladerte, vers of dor, knolletjes, schors, algen, eendenkroos worden met graagte verorberd. De vraatzucht is groot en het voedsel wordt in grote hoeveelheden binnen luttele seconden geheel opgeslokt. Men heeft zelfs eens een kuiken papier zien eten , gekookte aardappelen, broodkorsten, peperkoek, gestold spekvet, eierstruif en allerhande ander keukenafval. Kieskeurig kan men de vogel zeker niet noemen.
De ouders houden het dier echter niet kort, maar wachten tot het zich tot het uiterste heeft opgewonden en krijst als een kat, zodat het kuiken de volgende maal nog harder schreeuwt, omdat schreeuwen blijkbaar loont: hoe harder en brutaler het te keer gaat, hoe groter portie voedsel dat het krijgt.
Het resultaat ziet men snel genoeg: al gauw komen uit het vel kleurige veertjes op en bij het mannetje het potsierlijke kuifje, de bek wordt steeds groter en de groei blijft praktisch het gehele vogelleven doorgaan en de poten worden alsmaar langer, de tenen nemen navenant in lengte toe. Zowel de buitensporige grootte van de bek als de bizarre lengte van de poten worden uiteindelijk de ondergang van het dier, ook van de vrouwtjes, al hebben zij meestal nog wel kans gezien een enkel ei te leggen.
Het einde van het dier is tragisch om te zien. Doordat nagels en tenen te ver uitgroeien en poten en snavel steeds in gewicht toenemen wordt het vliegen en het zich verplaatsen steeds penibeler. Op den duur kan de vogel met zeer veel moeite zich nog juist boven de grond verheffen, waarbij de poten door het zand blijven slepen. Uiteindelijk wordt dit zelfs door uitputting geheel onmogelijk. De slotfase van het vogelleven bestaat dan ook uit niets anders dan neerliggen en wachten op het einde. Een enkele maal zien we zo’n dier nog wanhopig met de snavel de grote slagpennen uit de vleugels plukken en zelfs stukjes van de teennagels snokken, als een laatste pogingen om zo aan een hongerdood te ontkomen.







