zondag 31 mei 2009
vlokreeftje
Vlokreeftje
Als ik die optil springen ping ping ping ping ping - denkbeeldige klank van een piano met punaises in de viltjes van de hamers- niet te tellen aantallen strandvlooien alle kanten uit. Zij zijn moeilijk te pakken. En als je er een vangt houdt hij zich doodstil. Plat lijfje, paarlemoerkleurig en
half doorzichtig, een buitenaards maansteenkiezeltje. Met zijn zielige oogjes kijkt hij je aan: laat me gaan, laat me gaan, alstublieft, u heeft alle macht. Angst bepaalde altijd al mijn leven en altijd ben ik aan het toeval overgeleverd. Laat het deze maal grootmoedig zijn.
zaterdag 30 mei 2009
vrijdag 29 mei 2009
Hans Verhagen
donderdag 28 mei 2009
woensdag 27 mei 2009
dinsdag 26 mei 2009
DE RUPS EN DE SALAMANDER
Luchtbelletje
Een tuin. In de tuin een vijver, bij de vijver een appelboom, in de appelboom een klimroos, in de roos een rups. Wind, een windvlaag. De rups valt in de vijver. Voor de rups is de wind god. In de vijver een salamander die de rups ziet. De rups heeft kleurige stipjes en is waarschijnlijk voedzaam.Voor de rups is het water de hel en de salamander Satan. Wat deed hij verkeerd. Hij zat op een roos en at misschien zes hapjes, meer niet. Dat merkt zo’n roos niet eens. En hij weet al wat hij wil worden, maar daar komt nu natuurlijk niets meer van.
De salamander zwemt behoedzaam op de rups af, beweegt even zijn staart, neemt de rups dwars in de bek. Hebbes. Hij neemt hem mee naar dieper water tot bij de wolken van zachtgroene alg. Hij laat de rups even los en begint hem op te eten, de kop eerst. Medelijden kent hij niet.Is de kop het lekkerste of juist niet en komt het lekkerste pas het laatst?. Als de rups beetje bij beetje is heengegaan, en langzaam in maagzuur wordt omgezet tot een soepje, komt uit de bek van de salamander een luchtbelletje. Het is niet erg groot. Zoiets: o
maandag 25 mei 2009
zaterdag 23 mei 2009
vrijdag 22 mei 2009
woensdag 20 mei 2009
dinsdag 19 mei 2009
maandag 18 mei 2009
zondag 17 mei 2009
De worm de spin de zilveren distelpluizen
de worm
die zich door
het witte vruchtvlees knaagt
en niet weet dat de appel
straks vallen zal
de spin
die aan zijn draad
maar wat graag
in vervoering
door zijn hoge hemel zweeft
de zilveren distelpluizen
die opeens met tientallen tegelijk
losraken van hun plant
alsof een onzichtbare hand
een berispend teken geeft
de vlieg
die zoemt en zoemt
voor de keukenruit
en telkens weer zijn kop stoot
zoemt doet
alsof zijn neus bloedt zoemt
en zoemt zijn verhaal
kent geen herhaling
het verleden
dat alsmaar vraagt
en naderbij komt
nog niet nog niet
nee nog niet
de gedachten
die een uitweg zoeken
de mieren in hun werkkamp
de lange trein die eindeloos lang
door een duistere tunnel rijdt
de hete spijs
die door de slokdarm glijdt
het zaad
dat in een schoot
zijn prooi grijpt
het eeuwige gif
dat razend links
rechts door de aders loopt
de opgetogenheid
die in zwartgalligheid verkeert
of omgekeerd
elk geheim kent zijn rijm
en hoe groot en diep en vaag
kan weemoed zijn
een bloedster
op een gescheurde kaart geen weg
te zien geen hoogtelijnen
slechts schaduwen
van schaduwen
komt op
een maan
wazig
in verbandgaas
de zon
verdwijnt
kwijnt weg
achter iets dat hij zelf
onzichtbaar maakt



