Het was op een zomerochtend,
ramen open, lucht lichtblauw,
bomen groen, (vogels met iets van Messiaen,
een slak, alleen op zijn zilveren racebaan,
vlinders uit hun doen, de heilige geur van lelies)
het gras nog nat van dauw, u kent dat.
Door al die vogels geen bel gehoord.
Het geluk stond daar
opeens bij mij binnen.
Het kwam onverwachts
op bezoek en stond daar maar,
als in gedachten en lachte niet.
Dat was schrikken,
ik wist niet wat te zeggen,
al zijn er toch woorden in overvloed. Misschien
had ik iets aan moeten bieden. Maar wat.
Een stoel? Te drinken? Een koekje?
Mijn bed lag nog open. Of
had ik iets moeten vragen? Vragen genoeg,
zou je zeggen. Iets moeten vragen,
dat had ik.
We stonden daar maar te staan.
Het geluk keek mij aan.
Ik keek zo’n beetje terug.
Stilte.
Wat een stilte!
Een complete stiltewedstrijd. En onbeslist.
Ik ga er maar weer eens vandoor, zei het geluk,
en spreidde zijn vleugels wijd uit.
Daar ging het,
met het geluid van een ruk aan een rits.
Het zweefde het raam uit
en steeg hoger dan de bomen
met die vogels en hun gefluit
en verdween in de lucht. Alles bijeen
een vreemde verschijning.
Nee, we hadden niets gemeen,
vooral zonder geluk valt te leven.
En dan die vleugels,
echt overdreven.