woensdag 29 juli 2009

Boom

We zien alles helder. Een vliegtuig trekt een streep. Een boom vertakt zich en vertakt zich: een herhaling van een oneindige aantal onbewuste dingen die op niets uitlopen. De boom geeft zo uiting van een niet aflatende begeerte of honger. Wie zal het zeggen. Niemand die roept. Wie of hoe. De boom heeft de tijd van zijn leven. De topjes van de takken zijn zilveren stipjes, blinkende vingertipjes.

 

De boomwortels vergenoegen zich op hun manier, zoeken en voelen in het duister rond, wringen, dringen zich zonder ophouden op, produceren hun eigen verrassingen. Ze worstelen zich dorstig langzaam voort, ze vinden elkaar, sluiten knarsetandend vrede, stuiten op stenen, vinden een meteoriet, ze willen naar onbekend gebied, ze willen water. Ze bekommeren zich niet om hun geheimzinnige drijfveer. Of waarom het kind hier de boom versiert met blaadjes, lieve woorden, groene vlammetjes, spinrag, kanariegele vogels, muzieklollies, vlindervleugels, liedjes dagdromen. O, jammer, daar vertrekt de zon al. Zonder te waarschuwen, zonder groet, zonder kuchje. Schaamte kent hij niet. Alles wordt rood. Het zal nu wel snel avond worden en de boom een rookoffer.

 

Het is al avond. Zeg dat de lucht blauw is.

Diep, diep blauw is de lucht. De boom zwart.

En opeens is daar de maan, zonder erg. Blinkend wit.

Messcherp.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten