woensdag 17 juni 2009

ZOMER

 

 

a. Het was een stoffige zomer.

b. Het kwam door de bedwantsen.

c. Het werden zweren.

 

Je moet niet krabben, zei mijn zus.

 

Het was ver naar het dennenbos.

Ten minste acht kilometer

lopen. Honderd miljoen vliegen

vlogen daar rond in wanorde.

Ze wegslaan. Ze wilden

steeds in onze buurt zijn,

aan onze lippen likken, in onze ogen zitten.

Ze wegslaan. Ze wegslaan hielp niet.

 

Onze hond blafte naar zijn eigen schaduw,

en hapte naar de vliegen. Zijn schaduw

was lichter dan hij.

Zus liep op blote voeten. Mieren

staken in een slordige rij het pad

over. Ze kropen op een hagedis.

Hij was misschien verlamd

door ontelbare drupjes mierenzuur.

Zenuwpezen. Ze wegslaan.

Een stuk staart was er al af. Het was

nergens te bekennen.

Zus droeg een vleeskleurige bh.

 

Jij gaat in een vennetje, zei ze.

Daar zitten verse bloedzuigers in.

Die zijn goed voor je benen.

Vanavond doe ik er pleisters op.

 

Aan de hemel een vleeskleurige zon.

 

Ik liep een vennetje in.

Het donkergrijze water kwam net

niet tot aan mijn knieƫn. De hond

holde door het water, stond

opeens stil om te drinken.

Ik dacht aan de vliegen

die nu rondzwommen

in maagwater.

 

Ik bewoog mijn tenen

in de zachte modder

op de bodem. Ik wachtte

op de bloedzuigers.

 

En keek

of de zon

al zakte. Nee.

Hij wachtte

net als ik.

 

Een kinderzomer duurt

een eeuwigheid.

 

 

 

 

0 reacties:

Een reactie plaatsen