zaterdag 6 juni 2009

Zeester

 

En toen was ik aan de beurt om een dier mee naar school te nemen. Op het Nollestrand tussen de keien vond ik een flinke zeester, een vijfarmig raadselachtig beest, taai, van boven ruw, vleeskleurig met hier en daar wat paars als de stempel op het spek bij de slager, of van je tong na het likken aan een inktpotlood. Zijn pootjes waren niet één, twee, drie te tellen en hadden wat weg van miniatuurpiemeltjes die zich introkken en weer uitstrekten.

Ik had wel vaker zeesterren gezien en van het strand meegenomen, om ze thuis op het deksel van het kolenhok in de zon te drogen. Ze werden na een tijdje hard en lieten zich dan mooi op een rij aan de goot van het schuurtje vastspijkeren. Soms vond je op het strand kant en klaar gedroogde slangsterren. Die waren teer en bros en hun armen knapten snel af. Je hoefde er maar naar te wijzen, bij wijze van spreken.

Ik draaide de zeester die ik gevonden had in mijn zakdoek en stopte hem in mijn broekzak.

En wat heb jij meegebracht? vroeg de meester toen het eindelijk tijd was voor dierkundeles. Hij stak zijn hand al uit, hij gaf graag dierkundeles.

Ik haalde de zakdoek met de zeester uit mijn broekzak en maakte het pakje open. De pootjes van het dier bewogen niet meer.

Een zeester, meester!

Pfff, een wc-ster! Zei Winston Willems die naast me zat. De zeester gaf inderdaad een misselijkmakende geur en de armen hingen een beetje krom en de pootjes wilden absoluut niet meer bewegen.

Toen Winston Willems aan de beurt was geweest om iets mee te brengen, had hij een koninginnepage in een jampot meegebracht die doodgemoedereerd de hele middag bleef leven en rustig op een bosje peeloof zat. De vlinder was aan het eind van de les netjes en vrolijk fladderend het raam uitgevlogen.

Meester gaf mij een zilveren gulden die ik precies in het midden op de rug van de zeester moest leggen, en daarna kreeg ik de opdracht om met een vlijmscherp mesje langs de rand van het muntstuk te snijden, waardoor een gat ontstond, net een dekseltje dat je open kon doen, zodat je in het binnenste van het dier kon kijken. Meneer zette eventjes met grote krijtstrepen een zeester op het bord, schreef er stekelhuidigen boven en tekende precies wat ik beschreef: een slijmerig dingetje, dat was de maag. En een ander dingetje, dat was de anus , en een rondje dat hij een zeefplaat noemde (of zoiets) en hij tekende een stelsel van waterbuizen en legde uit hoe de zuigvoetjes werkten doordat ze volgepompt werden met water en hij ging zelfs naar de bezemkast om een rubberen handschoen te halen; door hem vol lucht te blazen of leeg te zuigen liet hij ons zien hoe mooi de voetjes van de zeester werkten (wij moesten er toen om lachen, maar we weten inmiddels wel dat je van de meest belachelijke meesters het meeste opsteekt).Hij vertelde dat de mensen vroeger dachten dat de zeester was ontstaan doordat vijf slangetjes of wormen aan elkaar waren gegroeid, wat ik een wonderlijk idee vond, en legde uit dat slangsterren niet liepen, maar zich vaardig door het water konden bewegen door heftig met hun armen te roeien. Meester deed vaardig en heftig voor hoe een slangster dat deed met zijn armen.De zilveren gulden moest ik aan meester teruggeven. Het mesje wilde hij trouwens ook terughebben.

0 reacties:

Een reactie plaatsen