woensdag 3 juni 2009

 

 

Strandkrab

 

Een zomernamiddag, warm, aan het strand van de zee, laag water. Badgasten liggen languit in de zon, hun gedachten zijn nergens. Ze dragen weinig kleren en hebben nog minder beslommeringen. Ze zijn  bruin of rood gekleurd, iets waarvan ze dromen. Maar die dromen zijn al bij voorbaat en haast ongemerkt uitgekomen. Kinderen bouwen een kasteel van zand, maar de zon doet zijn werk en de torens zakken in en de decoratieve schelpen vallen van de brokkelige muren.

 

In een getijdenpoeltje een heel andere, onbeschaafde wereld. Op een steen een zeeanemoontje, de kleuren vaag en bleek alsof al het bloed uit de vingerachtige vangarmpjes gelopen is, en een paar donkergrijze alikruiken. Ze zitten stil. Het heeft voor hen geen zin veel te bewegen. Ze zitten zowat hun hele leven opgescheept met hun schulp, die almaar dikker en zwaarder wordt naarmate zij groeien. Ze wachten geduldig en lijdzaam op de vloed en hopen tot nieuw fris water hun plasje instroomt.

 

Beweging komt van de krabben. Eentje van hen zit half verscholen onder een steen. Hij  heeft de kleur van afgegoten spinaziekooknat, groenachtig. Ik zie ook nog iets van lichtgeel. Misschien is hij nog jong. Hij is in ieder geval vinnig en op zijn qui-vive. Zijn schaarpoten staan dreigend vooruit gestrekt en ze zijn blijkbaar bedoeld voor een krab die groter is dan hij. Groter ja, en ruiger, en ouder: zijn grijze, kalkachtige rug is bezet met zeepokken. Zijn looppoten zijn stevig en oranjekleurig en op deze hoge poten beweegt hij zich over de bodem van het poeltje. Hij ziet zich al als alleenheerser en hij weet dat zijn ouderdom hem niet belemmert snel uit te halen als het moet. Hij heeft echter één nadeel: hij heeft zijn linker schaarpoot verloren. In het poeltje ligt echter nergens een poot. Zou die jonge, groene, hem misschien al eerder in de tang hebben genomen en hem hebben geamputeerd? Dan zou dit een wraakoefening kunnen zijn.

 

Het ondiepe water beweegt plotseling heftig. De oude valt aan, zijn rechterpoot met de grote tang vooruit, het lichaam wat zijwaarts gekeerd. Zijn houding doet denken aan een bokser of aan iemand die de schermsport beoefent. Wild is hij. Er lijkt geen sprake te zijn van donquichotterie, maar wat hier wordt vertoond is eerder een teken van een chronische onbezonnen en een zomerlang opgekropte woede. De jonge groene krab pareert echter gemakkelijk zijn aanval. De grote oranje monarch krabbelt meteen terug en maakt zich wat kleiner door zijn poten in het zand te zetten. Op zijn beurt komt nu zijn tegenstander dreigend naar voren. Zijn voorpoten brutaal wijduit, de scharen opengesperd.  Krabben zijn aaseters. Zou hij de open wond aan de schouder van de grote krab ruiken en daarom achter hem aankomen? Of  is de temperatuur van het water zo lauw dat de gemoederen van de krabben verhit zijn geraakt?

   

Men zegt dat een krab die als hij een poot verloren heeft weer een nieuwe krijgt, weliswaar een kleiner exemplaar, maar toch wel iets waar hij blij en dankbaar om zou kunnen zijn. Bij de grote krab is echter in de verre verte niets van de vorming van een nieuw pootje te zien. Blijheid of dankbaarheid voor zo’n vermogen kent hij blijkbaar niet. Hij moet het ook allemaal nog meemaken. Er komt een rijtje luchtbelletjes tussen zijn kaakplaten uit. En sputterend en mokkend graaft hij zich in, en de groene platte krab keert snel naar zijn veilige plaatsje onder de zwarte basaltsteen terug. En zo wordt alles weer rustig in het poeltje. Voor zolang het duurt.

0 reacties:

Een reactie plaatsen