maandag 1 juni 2009

Strand

Zeenaaldje

 

Soms is het fijn dat de wereld verandert en soms is het goed dat hij dat niet doen. Tegenwoordig vind je andere dingen aan het strand dan vroeger. Zo lag er vroeger meer hout, er lagen meer takken en stokken, stukken wrakhout, kratten en kisten. Nu ligt er meer plastic, plastic flessen, plastic viskisten, gewoon plastic, stukken van vuilniszakken waarschijnlijk. Ik vermoed dat de keukenhulpen en schoonmaakploegen op de schepen zowat alle vuilnis overboord zetten. Veel spullen zinken naar de bodem en die zien we gelukkig niet, de conservenblikken, de aangebakken potten en pannen, kapot aardewerk, lege drankflessen, laarzen en schoenen... Je moet maar niet teveel denken aan wat er zoal op de bodem van de zee kan liggen. Je ziet aan het strand ook steeds meer stukken nylonkabel. Kleurig zijn ze, oranje of felkleurig blauw.



Soms echter zie je een ding maar één keer en dat is dan genoeg om het niet meer te vergeten. Als kind groef ik eens, bij opkomend water, een kuiltje en een lange sloot. Het zeewater liep al snel door het slootje en ik dacht dat er een stokje in mijn kuil dreef, een grijs dingetje van misschien tien, twaalf centimeter, maar het bleek iets te zijn dat half op een dier leek, een twijgje met een buisvormig zuigsnuitje en wijd openstaande ogen en een rugvin. Het was levend… Zoiets had ik nog nooit gezien.

Nu weet ik dat het een zeenaald was. Er moeten hier, in niet al te diep water wel meer Grote en Kleine Zeenaalden zitten, maar ik heb  er in mijn leven maar één zomaar naar me toe zien spoelen.

 

 

 

Zeedruifje

 

Dieren die je nog steeds wel aan het strand ziet, zijn de zeedruifjes, kleine, doorzichtige bolletjes. In januari zag ik er al een paar, maar nu zie je ze soms in grote hoeveelheden op het strand liggen. Ik ben altijd blij als ik ze weer zie. Dat komt natuurlijk ook omdat ik ze mooi vind, maar het is ook de herkenning en de herhaling.

Het zijn wat eivormige, ballonachtige, kwalletjes. Ze kunnen mooi blinken en, als ze wat zonlicht vangen, zie je langs de randjes de zeven kleuren van de regenboog. Ze hebben acht van die randjes. Waarom acht? Dat moet je mij niet vragen. Ze hebben twee sliertjes waarmee ze in het water voedsel vangen, dat ze naar hun mond brengen. De mond moet aan de bovenkant zitten. Daar zit ook een orgaan dat ervoor zorgt dat ze naar hun gevoel de goede kant uitzwemmen. Raadselachtig is dat wel, want hoe weten ze dat ze de goede kant uitgaan?  Zwemmen doen ze met hele kleine trilplaatjes die op de acht ‘ribben’ zitten. Ze worden daarom ook wel ribkwalletjes genoemd. Volgens de boeken kunnen ze wel vijftig tot vierenvijftig kilometer per uur halen. Zo hard heb ik ze nog nooit zien zwemmen. Meestal zie je ze pas als ze aangespoeld zijn, want tegen de golven en de stroom kunnen ze waarschijnlijk niet veel inbrengen. Ze liggen dan maar gewoon op het zand, vlakbij het water te blinken.

0 reacties:

Een reactie plaatsen