
Op een stoep in de Slijkstraat stond een stoel en toen ik erop zat zag ik alles goed. Een groene handkar waarop met witte letters GROENTEN geschilderd was. Maar de kar stond scheef en was leeg en er ontbrak een wiel. Aan de overkant van de straat stonden kapotte huizen. Bij een ervan was heel het dak eraf geschoten, het huis ernaast was uitgebrand, het derde had kogelgaten in de muren. In een huis hing nog een stuk vitragegordijn. Het was grijs. Het bewoog. In Vlissingen heb je altijd wind en de ruiten van het huis waren stuk. Het bewoog alsof het zin had om met me te spelen. Maar ik had die middag genoeg gespeeld, mijn schoenen zaten vol met gruis, mijn knieën waren geschaafd, een straaltje bloed liep naar mijn sok. Ik was blij met de stoel en het was niet gewoon dat er zomaar een stoel voor jou in de Slijkstraat stond. Ik keek niet meer naar het gordijn dat bezig bleef met wapperen en aandachttrekkerij. Naast nummer 56 had iemand van oude vloerplanken een schutting gebouwd. De planken waren niet allemaal even lang en er was geen moeite gedaan om ze gelijk te zagen. Op de schutting zat een zwarte vogel. Dat hij roetzwart was vond dik niet ongewoon. De meeste vogels hadden last gehad van de bombardementen en beschietingen. Volkomen radeloos van angst door het onophoudelijk lawaai hadden ze heen en weer heen en weer heen en weer gevlogen. Soms raakten boven een huis in vlammen opeens hun veertjes in brand en ze stortten dan knetterend en in doodsnood piepend neer in het vuur. Ze leken opeens op gloeiende dennenappels. Ze hadden natuurlijk in de verre verten geen vermoeden waarom zij nu zo’n hel verdiend hadden. Want wat hadden ze gedaan? Een nest gebouwd misschien, een slak of worm gegeten, een lied gezongen. En dan zo’n straf. Ik was blij met de Moriaanvogel. Hij leefde tenminste nog en ik keek, extra stil zittend op mijn stoel naar hem en hij keek terug met een mooi rond geel oog, een blinkend ringetje. Hoe blij was hij met mij!
0 reacties:
Een reactie plaatsen