Bruine zuring en kamille groeien tot tegen de deur. Het slot gaat moeilijk open.
Net als vroeger. Vreemde schaduwen zoals vroeger. De spinnen zijn als vanouds, schuw, achterdochtig. Ze rennen schoksgewijs weg over vloer en muren. Ze verstoppen zich in hun slordige en stoffige webben. Eigenaardige geur hier. Het zal de komende herfst zijn of de vochtige zomer die hier nog rondhangt. Links het schap waarop ooit de oude augurkenpot met salamanders stond. Ik ving ze bij de spoorlijn,in het troebele water van de bomtrechters. Ze kregen een dieet van bloedrode larfjes uit de regenton. Met een hap of twee drie was zo’n kronkelend wormpje opgeslokt. Daar, waar nu de dode vliegen liggen stond het kistje met schroeven, moeren, kromme spijkers, krammen, alles was even roestig. Je roerde er met een schroevendraaier door, hopend dat het juiste dingetje naar boven kwam: een schroefoog, een duim, een bout, een ringetje. De schroevendraaier werd op den duur even roestig als de oude spijkers en roestige schroeven in het kistje en het houten handvat zat opeens vol wormgaatjes. Aan een haak de pollepel waar mijn vader lood in smolt. Hij maakte gewichten voor aan zijn vislijn. In de hoek de machtige houten wasmachine die op de vroege maandagochtend met zijn geknars van de wormwielen en een obstinaat ritmisch gestamp de buurt wekte. Maar eerst nadat met vereende krachten de kokendhete en dampende witte was erin was gekiept. Later volgde de bonte was en dan de werkbroeken en de sokken. Aan spijkers de zinken teilen die op zaterdagen als badkuip dienst deden. Onze haren werden met groene zeep gewassen en als het sop in onze ogen liep huilden we. De herinnering eraan wekt nu een glimlach. De wankele houten strijkplank die als operatietafel dienst deed bij het ziekenhuisje spelen. Natte repen krantenpapier waren het verband voor op de afschuwelijke wonden. En daar lagen de kolen, in houten vakken. Een vak voor de parelantraciet en een vak voor de eierkolen waar ik ooit de zwartgeverfde paaseieren verstopte . Ze werden nooit gevonden. Daarnaast stond, meestal onder een oud vloerkleed, de fiets van mijn vader. Waar is hij heen de glimmend zwarte fiets, de straat uit, naar Rithem en Rammekens de dijk over, het strand op, en verder, het water in? Veel verdwijnt, raakt verloren, verroest, wordt vergeten. Overal wordt aan geknaagd en gekrast door de harde tanden en de nagels van de tijd. De vage witte vochtvlek op de muur is het werk van schimmen. Ooit timmerde ik met zes spijkertjes netjes een zeester vast op de buitenkant van de deur. Ik wilde hem vlak laten drogen. En ik vond het wel mooi, een ster op de schuurdeur. De spijkertjes zitten er nog. De zeester is allang vergaan.
0 reacties:
Een reactie plaatsen