Het was in de tijd
dat het reizen langzaam
ging. Je ging na of je koffer
goed dicht zat, deed er voor de zekerheid
een koordje om. Aan het koordje
een papieren label met daarop
voorletters en achternaam. Straatnaam,
huisnummer, woonplaats, land, wereld.
Je liep over het sintelpad
naar het perron. De trein zou wel
komen en stoppen. Een horloge had je niet.
De klok op het perron stond stil.
Planten met pluisjes groeiden
tussen de tegels.
De ochtendzon scheen in een stukje glas.
Niet expres. Wel precies. De rails
blonken. Een bruine vogel hipte daartussen
heen en weer, pikte af en toe in het steenslag.
Zocht hij iets? Hoorde hij ook de krekel
die zo hard snerpte? Zocht hij die krekel?
In je zak een kartonnen kaartje.
Enkele reis, derde klasse.
Je pak kriebelde, je das zat te strak.
Je schoenen waren nu al stoffig
en ze knelden een beetje.
Reizen ging langzaam,
groeien snel. In die tijd
reisde je nog alleen
en je wilde eigenlijk nergens heen.
0 reacties:
Een reactie plaatsen