donderdag 25 juni 2009

dinsdag 23 juni 2009

Roodkapje tentoonstelling

Op het kinderboeken blog een tekst over de nieuwe tentoonstelling in Hasselt, Zeg Roodkapje waar ga je heen?: springlevende sprookjes, met werk van onder andere Wim Hofman.

donderdag 18 juni 2009

 

Compassion

 

Het lattenhek

Er was eens een mooi lattenhek

Met tussenruimten, niet zo gek.

 

Een architect die dit hek zag staan

is op een dag aan de slag gegaan.

 

Hij nam de tussenruimten mee

en bouwde daarvan een huis aan zee.

 

En dus stond ons arme hek daar maar

met latten zonder iets ertussen, raar

 

om te zien, en akelig en gemeen.

Het Parlement kwam dan ook bijeen.

 

De architect was toen al weggegaan,

Naar Af- of misschien Opganistan.

 

 

Christian Morgenstern (vert.W.Hofman)

 

 

woensdag 17 juni 2009

 

 

 

 

ZOMER

 

 

a. Het was een stoffige zomer.

b. Het kwam door de bedwantsen.

c. Het werden zweren.

 

Je moet niet krabben, zei mijn zus.

 

Het was ver naar het dennenbos.

Ten minste acht kilometer

lopen. Honderd miljoen vliegen

vlogen daar rond in wanorde.

Ze wegslaan. Ze wilden

steeds in onze buurt zijn,

aan onze lippen likken, in onze ogen zitten.

Ze wegslaan. Ze wegslaan hielp niet.

 

Onze hond blafte naar zijn eigen schaduw,

en hapte naar de vliegen. Zijn schaduw

was lichter dan hij.

Zus liep op blote voeten. Mieren

staken in een slordige rij het pad

over. Ze kropen op een hagedis.

Hij was misschien verlamd

door ontelbare drupjes mierenzuur.

Zenuwpezen. Ze wegslaan.

Een stuk staart was er al af. Het was

nergens te bekennen.

Zus droeg een vleeskleurige bh.

 

Jij gaat in een vennetje, zei ze.

Daar zitten verse bloedzuigers in.

Die zijn goed voor je benen.

Vanavond doe ik er pleisters op.

 

Aan de hemel een vleeskleurige zon.

 

Ik liep een vennetje in.

Het donkergrijze water kwam net

niet tot aan mijn knieën. De hond

holde door het water, stond

opeens stil om te drinken.

Ik dacht aan de vliegen

die nu rondzwommen

in maagwater.

 

Ik bewoog mijn tenen

in de zachte modder

op de bodem. Ik wachtte

op de bloedzuigers.

 

En keek

of de zon

al zakte. Nee.

Hij wachtte

net als ik.

 

Een kinderzomer duurt

een eeuwigheid.

 

 

 

 

dinsdag 16 juni 2009

 

SUUSJE OLIPIETZ SLAAPT, ALFRED JARRY INDACHTIG, MET HAAR FIETS, GEEN CLÉMENT HELAAS, MAAR EEN BÉCANE

 

Des nachts blaast Suusje Oliepietz haar kaars aan, de vetkaars

die altijd in een groene fles moet staan.

Ze drinkt haar laatste glas en onder gaat de maan, tatane.

Met haar pistool schiet zij op alles wat beweegt,

haar eigen schaduw, een spin

die bij de ruit haar web weeft. Ze slaapt

met haar Bécane: doortrapper, Simpsonketting, Dunlopbanden

edelstalen pedalen, een mannenstuur  met een bel er aan. Maar

een meerpersoonsfiets, daar droomt ze van: en in dromen

gebeuren dingen die echt bestaan: dag en nacht

in moordend tempo langs de spoorbaan,

om de exprestrein te verslaan, tatane.

De droom verkeert, zij gaat eraan, en al is het moord,

 

Tatane, c’est le mot que ricane.

 

 

 

zaterdag 13 juni 2009

 

 

De wolk, Het eiland, Reisnotitie...

Vandaag kwam per post de proef van mijn nieuwe bundel gedichten, 91 bladzijden. Ik heb  nu nog even tijd om alle gedichten nog eens goed na te lezen en eventuele verbeteringen of andere veranderingen aan te brengen. Zo op het eerste gezicht zien de teksten er goed uit, mooi vormgegeven, duidelijke letter. Het is de bedoeling dat de dichtbundel in augustus uitkomt. 

 

 

vrijdag 12 juni 2009

 

 

Vogel

Er is geen kleur ter wereld of hij zit op deze vogel; bek en poten zijn langer dan van welke vogel ook en van een buitensporig formaat in verhouding met het lichaam en het geluid dat hij maakt is het gezang van tientallen  zwermen vogels tegelijk.

 

Het ei van deze vogel heeft een flink volume, is groter dan welk ei dat wij kennen, zelfs groter dan dat van de struis, dat al twintig maal groter is dan  een kippenei, glanzend, wit met een vleugje roze. De schaal is enkele millimeters dik en hard en moeilijk door te pikken, dagenlang hoor je het kuiken werken, het ei rolt soms tikkend als een bom een eindje weg, hetgeen zelden een kwalijk gevolg heeft, er is geen nest: het ei wordt direct in het zand, in de zon gelegd.

 

Het kuiken lijkt eerst in het geheel niet op zijn ouders, het is kaal en grauw en paarsachtig wijnrood  en nogal pukkelig, de ogen zijn als kopergroen en met maisgele ring omrand, waardoor het dier de indruk geeft een een brilletje te dragen, en het geluid dat het maakt  is als het krassen van de tanden van meerdere vorken op etensborden, het kuiken geeft voortdurend overduidelijk te kennen te willen eten en geeft buitenstaanders steeds de indruk uitgehongerd te zijn.

 

Er is geen kuiken ter wereld dat zoveel en zoveel verschillende dingen blieft:  insecten , kleine zoogdieren als muizen en  mollen, vissen, padden, kikkers, slakken, wormen enzovoort, maar ook zaden, bessen, vruchten en allerhande ander plantaardig materiaal, als gebladerte, vers of dor, knolletjes, schors, algen, eendenkroos worden met graagte verorberd. De vraatzucht is groot en het voedsel wordt in grote hoeveelheden binnen luttele seconden geheel opgeslokt. Men heeft zelfs eens een  kuiken papier zien eten , gekookte aardappelen, broodkorsten, peperkoek, gestold spekvet, eierstruif en allerhande ander keukenafval. Kieskeurig kan men de vogel zeker niet noemen.

 

De ouders houden het dier echter niet kort, maar wachten tot het zich tot het uiterste heeft opgewonden en krijst als een kat, zodat het kuiken de volgende maal nog harder schreeuwt, omdat schreeuwen blijkbaar loont: hoe harder en brutaler het te keer gaat, hoe groter portie voedsel dat het krijgt.

 

Het resultaat ziet men snel genoeg: al gauw komen uit het vel kleurige veertjes op en bij het mannetje het potsierlijke kuifje, de bek wordt steeds groter en de groei blijft praktisch het gehele vogelleven doorgaan en de poten worden alsmaar langer, de tenen nemen navenant in lengte toe. Zowel de buitensporige grootte van de bek als de bizarre lengte van de poten worden uiteindelijk de ondergang van het dier, ook van de vrouwtjes, al hebben zij meestal nog wel kans gezien een enkel ei te leggen.

 

Het einde van het dier is tragisch om te zien. Doordat  nagels en tenen te ver uitgroeien en poten en snavel steeds in gewicht toenemen wordt het vliegen en het zich verplaatsen steeds penibeler. Op den duur  kan de vogel met zeer veel moeite zich nog  juist boven de grond verheffen, waarbij de poten door het zand blijven slepen. Uiteindelijk wordt dit  zelfs door uitputting geheel onmogelijk. De slotfase van het vogelleven  bestaat dan ook uit niets anders dan neerliggen en wachten op het einde. Een enkele maal zien we zo’n dier nog wanhopig met de snavel de grote slagpennen uit de vleugels plukken en zelfs stukjes van de teennagels snokken, als een laatste pogingen om zo aan een hongerdood te ontkomen.

 

IJZERKOTMOLEN